Standen van het gebit

Occlusie

In de tandheelkunde wordt vaak de term ‘occlusie’ gebruikt om aan te geven wat de stand van de tanden is.

Letterlijk betekent het “elk contact tussen een of meer elementen van de bovenkaak met een of meer elementen van de onderkaak”.

Welke occlusie is normaal:

Bij de normale positie komende de tanden van boven- en onderkaak maximaal met elkaar in contact. Dit wordt ook wel ICP (intercuspal contact position) genoemd. Het overgrote deel van de kaakbewegingen, zoals slikken, spreken en geeuwen, wordt vanuit deze positie geïnitieerd.

Er treden verstoringen op bij de kaakbewegingen wanneer er sprake is van een ongewenste occlusie. In de meeste gevallen is sprake van een te geringe lipsluiting en een verstoorde tongfunctie.

Bij occlusie Klasse II is er sprake van een overbeet. Vaak is er sprake van een terugliggende onderkaak, een smalle bovenkaak en een spits bovenfront. Zowel de onderkaak als de bovenkaak staan dus niet goed. De stand van de tanden is onregelmatig en veel mensen merken een overbeet ook doordat de onderlip tussen de tanden komt.

Bij Klasse III is de onderkaak juist naar voren geschoven. Het wordt ook wel eens een omgekeerde overbeet genoemd, omdat juist de boventanden achter de ondertanden komen te staan.

Bij een diepe beet staan de ondertanden tegen de achterkant van de boventanden. Soms wordt zelfs in het tandvlees gebeten en zijn de ondertanden nauwelijks meer zichtbaar. Boventanden kunnen schuin naar voren komen te staan en er kan een spleet tussen de voortanden ontstaan.

De open beet ontstaat door een verkeerde tongpositie. Op de plek waar de tong naar buiten komt verandert de stand van de tanden en kiezen. Dit is vaak ook hoorbaar door lispelen of slissen bij de uitspraak.

Nieuwsgierig geworden? Mail info@omftgelderland.nl